Ik heb altijd iets gehad met de seizoenen.
Als kind al kon ik voelen wanneer er een nieuw seizoen aankwam. Nog voordat ik precies kon aanwijzen wat er veranderd was, wist ik het gewoon. Er hing iets anders in de lucht. Een andere geur, ander licht, een geluid dat er een paar dagen eerder nog niet was.
Ik ruik de seizoenen.
Dat klinkt misschien een beetje vreemd, maar ik weet niet hoe ik het anders moet omschrijven. De herfst heeft een geur. De winter ook. En de lente… de lente ruikt naar aarde. Naar vocht. Naar iets wat wakker wordt.
Mijn radars voor die eerste kleine tekenen staan altijd op scherp.
Het eerste sneeuwklokje. Een vogel die ineens anders klinkt. De zon die op een bepaald moment van de dag weer door een raam naar binnen valt waar ze maanden niet is geweest. Ik zie het. Ik voel het. En vaak doet het ook echt iets met mijn energie.
Misschien is dat één van de redenen waarom ik zo graag met de seizoenen leef.
Ik hou oprecht van alle vier. Ik zou niet willen kiezen voor een eeuwige zomer of een plek waar het hele jaar ongeveer hetzelfde voelt. Ik hou van de afwisseling. Van het opnieuw beginnen. Van het gevoel dat de natuur steeds weer een nieuw hoofdstuk openslaat.
Maar hoe gek het misschien ook klinkt: aan het einde van ieder seizoen ben ik ook weer toe aan het volgende.
Aan het einde van de zomer verlang ik naar koelere ochtenden en de geur van de herfst. Wanneer de herfst langzaam donker en kaal wordt, kijk ik uit naar de eerste sneeuw. En ergens aan het einde van de winter begint normaal gesproken die bekende onrust weer.
Dan ga ik zoeken.
Naar de lente.
Alleen was dat dit jaar anders.
De lente kwam laat hier in Zweden. Buiten lag nog een dikke laag sneeuw en eerlijk gezegd bleef ik zelf ook opvallend lang in mijn wintermodus hangen.
Ik vond het wel prima.
De kachel brandde. Binnen was het warm. Buiten was de wereld nog wit en stil en ik voelde helemaal niet die enorme behoefte om het volgende seizoen alvast naar me toe te trekken.
Ik was nog aan het cocoonen.
Normaal gesproken kan ik in februari al bijna ongeduldig worden. Dan wil ik zaaien, naar buiten, met mijn handen in de aarde. Dan kijk ik werkelijk ieder hoekje van de tuin af om te zien of er ergens iets groens boven de grond verschijnt.
Maar dit jaar niet.
De lente hoefde van mij nog niet zo nodig.
Misschien kwam het doordat de natuur zelf ook nog geen enkel teken gaf. Er was niets om mijn lente-radar op aan te laten slaan. Geen groen puntje. Geen bloem. Alleen sneeuw, kou en de rook die uit de schoorsteen omhoog kringelde.
En dus bleef ik lekker in mijn bubbel.
Tot de lente besloot dat het genoeg was geweest.
Want ineens was ze daar.
Niet voorzichtig en zeker niet subtiel.
Het was alsof iemand ergens een knop omzette.
De eerste sneeuwklokjes verschenen en bijna voordat ik goed en wel van ze had kunnen genieten, zag ik de krokussen alweer boven de grond komen.
En daar gingen mijn lentegevoelens.
Van nul naar honderd.
Het voelde zelfs even tegenstrijdig. Een deel van mij wilde nog helemaal niet uit die warme winterbubbel stappen. Ik vond het daar eigenlijk nog wel gezellig. Maar buiten gebeurde iets en ik merkte dat ik er steeds opnieuw naartoe werd getrokken.
Even kijken bij de sneeuwklokjes.
Nog een rondje door de tuin.
Stilstaan wanneer ik vogels hoorde.
Mijn gezicht naar de zon draaien zodra ze tussen de wolken verscheen.
En toen was ik om.
Volledig.
Ineens verlangde ik zó ontzettend naar de lente dat ik bijna niet begreep waarom ze een paar weken eerder nog niet hoefde te komen.
Ik wilde zon.
Ik wilde ’s ochtends wakker worden van vogelgeluiden. Ik wilde het gezoem van de eerste bijtjes horen en zien hoe ze van bloem naar bloem vlogen. Ik wilde weer met mijn handen in de aarde, plannen maken voor de moestuin en zonder dikke winterjas even naar buiten kunnen lopen.
Mijn energie veranderde bijna net zo snel als de natuur.
Alleen werkte het weer niet helemaal mee.
Want hoewel de lentezon zich steeds vaker liet zien, bleef het koud. Overdag kon ik op een beschut plekje zitten en werkelijk voelen hoe warm de zon alweer was. Zo’n moment waarop je je ogen sluit en denkt: ja… daar ben je weer.
Maar zodra de zon verdween, voelde je de winter nog.
’s Avonds ging de kachel gewoon weer aan.
En dat voelde in het begin vreemd.
Ik had het idee dat ik ergens tussen twee seizoenen in hing. Mijn hoofd stond inmiddels volledig in de lentestand, terwijl mijn lichaam ’s avonds nog onder een dekentje op de bank kroop bij de warmte van de kachel.
Winter of lente.
Ik wilde blijkbaar weer eens kiezen.
Tot ik me realiseerde dat dat helemaal niet hoefde.
Ik hoefde de winter niet weg te duwen om van de lente te kunnen genieten.
Overdag mocht ik naar buiten. De zon voelen. Door de tuin lopen en voor de zoveelste keer kijken hoe ver de krokussen inmiddels open waren. Luisteren naar de vogels en genieten van ieder klein teken dat vertelde dat de natuur weer wakker werd.
En ’s avonds mocht ik gewoon weer naar binnen.
De kachel aansteken.
Onder een dekentje kruipen.
Nog even cocoonen.
Toen ik me daaraan overgaf, merkte ik hoe fijn juist deze tijd eigenlijk is.
Dat stukje tussen twee seizoenen in.
De winter die nog niet helemaal vertrokken is en de lente die steeds iets harder op de deur klopt. De ene dag loop je met je gezicht in de zon en de volgende ochtend ligt er ineens weer een dun laagje sneeuw.
Misschien is dat wel precies waarom ik zo van seizoenen hou.
Ze houden zich niet aan een kalender.
De natuur zegt niet: vanaf vandaag is het lente, dus nu moet alles anders. Ze schuift. Ze verandert. Soms voorzichtig en soms met een enorme vaart.
En blijkbaar doe ik dat zelf ook.
Dit jaar had ik gewoon iets langer nodig om uit mijn wintermodus te komen.
Maar toen de lente me eenmaal riep, kon ik haar niet meer negeren.
En nu?
Nu sta ik weer iedere dag even in de tuin. Mijn radars volledig op scherp. Op zoek naar het volgende groene puntje, de volgende bloem en het volgende geluid dat er gisteren nog niet was.
De winter mag ’s avonds nog even bij ons binnen zijn. De kachel brandt en zodra de zon verdwijnt, kruip ik nog steeds graag onder een dekentje.
Maar overdag trekt de lente me naar buiten.
Hier in Zweden hebben ze eigenlijk een prachtig woord voor deze tijd: vårvinter. Letterlijk de lente-winter. Die bijzondere periode waarin de winter nog niet verdwenen is, maar de lente zich steeds duidelijker laat voelen.
En misschien hoef ik dus helemaal niet te kiezen.
Ik hang niet tussen twee seizoenen in.
Ik zit er middenin.
Midden in vårvinter.
En eerlijk gezegd denk ik dat ik eindelijk begrijp waarom juist deze tijd zo fijn voelt.
Reactie plaatsen
Reacties